Brons (deel 1 – Ronde van Katendrecht)

25-10-2017

“Brons is taai en corrosiebestendig dat zich goed leent voor bewerking.” (bron Wikipedia)

Het was zaterdag 20 mei niet de eerste keer dat ik Theater Walhalla bezocht.

Ik zag er Alex Roeka regelmatig optreden, een bont Acadisch muziekgezelschap wiens naam mij is ontschoten en ik herinner me een avond met cabaretier Pieter Jouke die die avond principieel weigerde grappig te zijn.

Maar nog nooit had ik in Theater Walhalla de blote benen van Maarten Ducrot gezien, nog nooit had ik zó quasi achteloos de onderbroek van Henk Lubberding bekeken, nooit eerder in mijn leven had ik Wilfried de Jong ‘hey hallo hoe is-tie’ tegen mij horen zeggen (ik zag hem in februari dit jaar op een sponsoravond van Peloton Katendrecht waar ik me liet fotograferen met hem, maar het was schier onmogelijk dat Wilfried zich die ontmoeting zou herinneren, evenwel veronderstelde zijn ‘hey hallo hoe is-tie’ iets van een persoonlijke herkenning zijnerzijds) als deze zaterdag 20 mei, in Theater Walhalla, waar ik bij binnenkomst al meteen voelde dat ik nooit meer dichter bij de wielerbron zou geraken.

Door een plotselinge onweersbui was de start van onze Koppelkoers tot nader order uitgesteld.

Ik zocht in paniek naar speldjes waarmee ik mijn rugnummer kon bevestigen. Die zaten niet in de enveloppe die koersdirecteur ‘Dandy’ Dave Andriese mij zo-even op het Deliplein had overhandigd.

Dezelfde koersdirecteur heette nu iedereen van harte welkom bij, wat hij officieel noemde ‘De Grote Prijs Walhalla / De Gentlemen’s Race voor Koppels’. Gentlemen en Wielrennen kwam mij als een contradictio in terminis over.

Het peloton bestond uit 19 koppels die op hun beurt weer bestonden uit één wielerprominent en één sukkel voor wie het, ondanks de gevorderde leeftijd, een jongensdroom was om tussen jeugdhelden te mogen fietsen.

Eén van die 19 sukkels was ik.

Koos Moerenhout pulkte wat aan zijn raceschoen. Jacques Hanegraaf lachte toen Dave een appèl deed aan het gezonde koersverstand door de deelnemers erop te wijzen dat het toegestroomde publiek het zou waarderen als wij, de sponsoren, de voormalige wielerprofs zouden laten excelleren.

Persoonlijke ijdeltuiterige ambitie werd, zeer terecht, niet gewaardeerd.

Het is en blijft echter mijn ultieme natte droom die zelfs heeft uitgemond in een nog nader uit te werken literaire ejaculatie (waarop bij deze dus patentrecht rust): een complete nobody

traint zich in alle anonimiteit de touwtering en wint tot de verbazing van alles en iedereen de Ronde van Katendrecht.

Kortom: de laatste drie rondjes zouden uitsluitend door de wielercracks worden verreden.

‘Hoi Marco of is het Spookrijder?’, vroeg Erik Breukink me met een bescheiden glimlach. Hij droeg het Spookrijdersshirt van de Koersdirecteur van de Ronde van Katendrecht wiens voornaam in zwarte letters (lettertype Arial) prominent op de linkerborst gedrukt stond.

‘Hi Dave. Ik ben mijn speldjes kwijt’, was mijn belachelijke antwoord waarna Erik goddank op het podium werd ontboden door spreekstalmeester Eric Corton.

‘Ben je in vorm Erik?’, vroeg zijn voornaamgenoot Eric met een C.

‘Jazeker ik mag niet klagen’, antwoordde mijn koppelgenoot Erik met een K.

‘Daar was ik al bang voor’, mompelde ik in het luchtledige.

Enkele momenten later bevond ik mij op het parcours voor enkele inrijdrondjes. Mijn partner Erik Breukink lachte wat met zijn voornaamgenoot Dekker met een K terwijl ik had besloten mijzelf diep ongelukkig te voelen. Ik had enkele dagen geleden nog gejuicht toen Dave mij belde om te melden dat hij me aan Breukink zou koppelen. Ik belde meteen mijn moeder omdat ik in de woorden van Peter Winnen geloof dat iedere zoon het recht heeft om minimaal één dag de held van zijn moeder te zijn. Diep in mijn hart vind ik dat dat geen recht maar een plicht zou moeten zijn, maar wie ben ik om Peter Winnen te corrigeren?

Vlakbij de finish stonden mijn ouders.

Mijn moeder had haar 47 jarige zoon vier zoenen gegeven en hem voor de 391e keer gevraagd of hij voorzichtig zou zijn in de bochten. Ondertussen spelde Anita in allerijl mijn rugnummer 51 op. Ik nam me als Pastis 51 liefhebber voor om in een volgend wielerleven louter nog rugnummer 51 te accepteren.

De legendarische wielerspeaker Mels de Kieviet gaf het woord aan zijn drie decennia jongere collega en voormalig DWDD-hyena Sjoerd van Oortmerssen die het Spookrijderskoppel Breukink-Hendriks niet Rotterdamser had kunnen uitspreken dan hij op dat moment deed.

Ik glom van trots maar wilde gelijktijdig het liefst door de grond zakken van schaamte met mijn aanstellerige bodemloze Spookrijdersonzin. Twee dagen geleden had ik Willem van Hanegem nog mogen ontmoeten. Het Spookrijderssucces begon, lang leve het wurgende paradox, benauwend te werken. Maar als trots in het geding is, is er geen enkele weg meer terug. Dat zong Bob Dylan al jaren geleden en Bob staat in de pikorde gelijk aan Peter Winnen. Eigenlijk iets eronder wat Peter kan aanzienlijk beter fietsen.

De koers begon met drie geneutraliseerde inrijdrondjes. Ik vroeg aan Erik of hij nog veel fietste de laatste tijd.

‘Jazeker’, bekende hij.

‘Daar was ik al bang voor’, prevelde ik een tweede keer in het luchtledige. Ondertussen bekeek ik met afgunst zijn bruingebrande, op en top gesoigneerde kuiten.

‘Pure porno, hoe die gast op zijn fiets zit’, zo had mijn Tilburgse fietsvriend Ruud van der Meijden Breukink gisteren nog plastisch omschreven.

‘Dat geldt voor alle oud-profs’, antwoordde ik, verwijzend naar mijn recente ritjes met Bart Voskamp, Johan van der Velde en Peter Winnen. Je wordt er misselijk van. Oud-profs kennen geen pijn, zijn vergroeid met hun fiets en kiezen altijd de juiste versnelling.

‘Kom Marco, we gaan ons voorin eens laten zien’, zei de bronzen medaille winnaar uit de Tour van 1990.

Ik volgde Erik op de Brede Hilledijk en voelde de ijzeren smaak van bloed in mijn droge mondholte. We reden rond de 45 kilometer per uur toen we vol in de remmen moesten voor een haakse linkerbocht die het peloton de Veerlaan in voerde.

Het was Koers, volle bak Koers!

Ik reed achter, naast en nu vóór Erik Breukink. Ik voerde het peloton aan dat voor de helft bestond uit kleppers die mij in mijn tienerjaren lieten huilen van geluk voor de televisiebuis. Op het parcours van Katendrecht was ik het fietsende kind van 47 jaar, nog altijd op zoek naar de erkenning van mijn vader die zich ergens rondom de finish moest ophouden aan de zijde van zijn overbezorgde vrouw, mijn moeder, die er de hardnekkige gewoonte op nahoudt om wielrennen te associëren met valpartijen.

Met mijn kin op het stuur (zó laag dat ik met gemak met het puntje van mijn kin mijn Garmin kon deactiveren) trok ik vol door. Ik had Erik ingehaald en keek vol aplomb over mijn linkerschouder of hij mijn wiel hield (eigenlijk kon houden, want ik vloog).

Vlak na het finishdoek op de Veerlaan stonden mijn ouders, mijn vrouw, mijn schoonzus, mijn zwager, mijn vrienden. Ik voelde de wind langs mijn oren suizen. In de voortvluchtige snelheid fladderde mijn geuzennaam Spookrijder in onsamenhangende brokstukken vanuit de speakers langs het parcours mijn oorschelpen binnen.

‘Kom op Breuk, laat die Spookrijder maar eens zien wat fietsen is!’, klonk het in vet Twents. Het was Rob Harmeling die me met een even vette knipoog links passeerde.

‘Rob! Dit gaat godverdomme hard man!’, schreeuwde ik in lichte paniek nadat ik met een stiekeme blik op mijn hartslagmeter had gekeken. 183.

Ondanks mijn onverantwoord hoge hartslag hield ik het enkele rondes vol en werd ik uiteindelijk gered door een lekke band op de hoek van de Rechthuislaan en de Tolhuislaan, recht tegenover de zanderige parking van de plaatselijke Karwei.

‘Godverdomme jij ook al!’, stelde Ries Doms, drummer van rockband The Kik, vast. Hij hield zijn fiets omhoog zoals een beteuterde visser zijn teleurstellende buit (zo’n klein kutvissie) uit het water trekt.

‘Godverdomme heb ik weer’, loog ik zonder gewetensnood, verheugd dat ik door technisch mankement verlost was van mijn beulswerk.

In een bloedstollende finale werd Erik Breukink derde achter oud-wereldkampioen veldrijden Richard Groenendaal en de uiteindelijke winnaar Erik Dekker.

‘Brons, hoe voelt dat?’, vroeg Eric Corton mij even later op het podium.

Het is dat ik werd afgeleid door de jaloersmakende tattoo’s op zijn knokkels (TRUE LOVE), anders had ik in mijn rol van metaalhandelaar een paraat antwoord gehad:

“Zie je Eric, Brons is als metaal taai en corrosiebestendig dat zich echter ook goed leent voor bewerking. In die zin kan Brons worden gezien als metafoor voor mijn karakter. Enerzijds robuust en sterk, anderzijds ben ik plooibaar en buigzaam.”

Uren later hang ik zo dronken als een kanon met drie biertjes tegelijk aan de toog van Café de Ouwehoer op de Delistraat. De koersdirecteur van de Ronde van Katendrecht valt nog te onderscheiden omdat hij als enige een pak met das draagt, de overige fietsvrienden herken ik met moeite.

Het is overduidelijk, ik ben als mijn eremetaal: taai, robuust, sterk, maar ook plooibaar en buigzaam.

Ik ben brons.


Marco Hendriks – Deeelnemer Grote Prijs Walhalla

beeldmerk