ERIC CORTON

15-05-2017

“Met mijn grote lijf in een zeiknat strak wielerpakkie gehesen, keek ik bij het naderen van een stoplicht in de ogen van een tamelijk verontrustend mooie vrouw. Zij keek terug en we minderden samen eventjes vaart in het leven.”


GEBOREN WORD JE OM UITEINDELIJK OP TE STAAN. OP TWEE WANKELE BENEN VAL JE DE ZWAARTEKRACHT AAN. DAT GAAT GEPAARD MET VEEL OPSTAAN. VOORAFGEGAAN DOOR VALLEN, VEEL EN HARD VALLEN. ALS JE DAT LOPEN EENMAAL ONDER DE KNIE HEBT, VAL JE STEEDS MINDER. JE GAAT NOG WEL OP JE BEK, MAAR NIET MEER NOODZAKELIJKERWIJS DOOR TE VALLEN.

En dan ga je fietsen… Eerst als uiterst handig vervoermiddel, later sportief omdat je rond je veertigste denkt dat dat moet. Je zoekt een nieuw equilibrium op twee dunne bandjes en een keihard smal zadel. Daar begint ook een hernieuwde angst om te vallen. Voornamelijk door het vallen van anderen die zich voortbewegen op twee dunne bandjes. Groots en meeslepend.

Wim van Est. Zeventig meter naar beneden gelazerd op de Aubisque. Kroop huilend weer op de fiets met een nog werkend Pontiac polshorloge. Dat is antiek en heroïsch, mythologisch bijna. Het zijn de verhalen die de wielersport zo uniek maken. Geen basketballer of tennisser kruipt uit een ravijn van 70 meter en scoort een driepunter, of slaat een love game of louter aces terwijl hij huilt van de pijn en de schrik. Beloki die met zijn wielen diep het hete smeltende Franse asfalt omploegde en de macht over zijn stuur verloor. Zelfs bij het stille helikoptershot kon je zonder al teveel moeite zijn dijbeen, pols en elleboog horen versplinteren terwijl hij met hoge snelheid de grond raakte. Het gekerm en gehuil van het shot van de motorcamera mét geluid zal ik nooit meer vergeten.

Wouter Weylands overleefde zijn val niet in het moderne en door doping afgeschminkte peloton. Kleine momenten van onbegrip, woede en verzet. Maar toch stapt iedereen gewoon weer op de fiets en salueert naar de camera als stilzwijgend eerbetoon aan Wouter. Wout Poels brak, scheurde en kneusde zo’n beetje alles wat je maar beschadigen kan bij die massale valpartij in de zesde etappe van de Tour van 2012 en ook hij stapte weer op. Voor een paar meter weliswaar. Meer ging echt niet. Maar hij wilde fietsen. Doorgaan. Johnny Hoogerland, prikkeldraad, 33 hechtingen, een zootje tetanusspuiten en meters verband. Ook Johnny stapte gewoon weer op en reed verder.

Bizar en bijzonder. Het lijkt wel of wielrenners niet mogen stoppen. Alsof een onzichtbare hand ze telkens weer oppakt en ze vastlijmt aan dat dunne harde zadel. De dood of de gladiolen. Opgeven doe je niet, en doe je dat wel dan gaat dat in pijnlijke stilte en verstikt verdriet. Renners die met hun korte witte sokken in lelijke rubberen slippers door hun ploegleider het hotel worden uitgereden terwijl de vaderlandse pers het toch al verpulverde ego nog eens aan diggelen schiet met hun genadeloos flitsende camera’s. Vallen hoort erbij, littekens zijn onlosmakelijk met fietsen verbonden en stoppen is geen optie.

Ik werd 40 en kocht een fiets. Een echte Ger, van Ger Hermans in Amsterdam. Speciaal op mijn schofthoogte en gewicht gebouwd. Een aluminium frame met een prettige stijfheid en een mooi setje hardware erop. En trappers met kliksysteem. De eerste keer dat je jezelf aan je fiets vastmaakt is een moment. Alsof je je overgeeft aan je vervoermiddel en er in eerste instantie een ongelukkige, onhandige eenheid mee wordt. Omdat de fiets je de eerste paar keer niet los lijkt te willen laten. Pas als je bijna stilstaat lukt het om je voet met een bevrijdende tik van de trapper te krijgen en nog net op tijd op de grond te zetten. Met de lichte schrik nog in de kuiten herstel je de verbinding die je zojuist vloekend hebt verbroken. Eerder beginnen met loskoppelen is het devies.

Als het licht op oranje gaat, gaat alles in mij op rood en rijd ik de laatste 100 meter met één been gestrekt naast de fiets op het moment van stilstaan af. En toch ging het mis. In de stromende regen, op een kruispunt vlak bij mijn huis. Met mijn grote lijf in een zeiknat strak wielerpakkie gehesen, keek ik bij het naderen van een stoplicht in de ogen van een tamelijk verontrustend mooie vrouw. Zij keek terug en we minderden samen eventjes vaart in het leven. Blijkbaar werden daardoor de elektrische stroompjes vanuit mijn brein naar mijn voeten dusdanig geblokkeerd dat het signaal ‘ontkoppelen’ uitbleef. Terwijl zij me aan bleef kijken, viel ik bij het schijnsel van het rode stoplicht langzaam maar onontkoombaar om, en landde naast het fietspad in een grote koude waterplas. Mijn Ger bleef hardnekkig aan mijn voetzolen hangen. De prachtvrouw volgde, zittend op haar Gazelle met fietstassen, mijn zwanenzang tot in het bruine regenwater, glimlachte flauwtjes en reed vervolgens in een akelig koude stilte weg. Mij modderend achterlatend.

Vallen hoort er dus bij, stoppen is geen optie.
Maar dit litteken jeukt nog bij iedere regenbui.


Eric Corton, column in de Rondekrant van 2017

beeldmerk